19 oktober 2006

Discriminatie?

Ieder kind heeft recht op onderwijs. Maar heeft ieder kind ook recht op ieder onderwijs?

Momenteel is dat niet zo. Het is voor een bijzondere school namelijk mogelijk om leerlingen te weigeren die niet voldoen aan het profiel dat de school heeft bepaald. Dat deze mogelijkheid tot uitsluiting voor een school bestaat, resulteert mijns inziens in de conclusie dat de bijzondere school ook niet gefinancierd mag worden met gemeenschapsgelden. Waar wij allen voor betalen, moet ook voor allen toegangelijk zijn!

De hieronder volgende tekst komt van de website Landelijk Bureau ter Bestrijding van rassendiscriminatie (LBR) en gaat specifiek in op de wetgeving betreffende het speciaal onderwijs.


Inleiding
Het verbod op discriminatie geldt zowel voor het beleid van de school bij de selectie van personeel en de toelating en deelname van leerlingen als voor de omgang met elkaar binnen de school. Daarnaast zal bij het maken en hanteren van kledingvoorschriften rekening gehouden moeten worden met het discriminatieverbod.
De hieronder beschreven teksten zijn een algemene inleiding op voor het onderwijs relevante wetgeving op het gebied van discriminatie.


De Algemene Wet Gelijke Behandeling
De Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB)
verbiedt het maken van direct en indirect onderscheid op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat.

Bij direct onderscheid worden mensen op grond van één van bovengenoemde kenmerken achtergesteld of geweigerd.

Bij indirecte discriminatie gaat het om de effecten van het hanteren van bepaalde criteria of van een bepaald beleid. Het criterium waarmee onderscheid wordt gemaakt lijkt dan neutraal, maar wanneer dit onderscheid wordt gemaakt kan dit leiden of leidt dit tot achterstelling van bepaalde groepen mensen.

Er zijn een paar uitzonderingen mogelijk op het verbod op indirect onderscheid. Dit is het geval als er een objectieve rechtvaardiging is.Het doel van het beleid moet dan duidelijk niet discriminerend zijn. Ook moeten de gekozen middelen beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Tenslotte moeten de middelen geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde doel te bereiken.

Zo mag bijvoorbeeld het bijzonder onderwijs gezien haar doelstelling, in bepaalde gevallen eisen stellen aan de levensovertuiging van haar personeel.


Strafrecht
Behalve in de Algemene Wet Gelijke Behandeling zijn er ook in het Wetboek van Strafrecht een aantal bepalingen opgenomen die discriminatie verbieden. Zo worden onder meer als misdrijf strafbaar gesteld:

  • het beledigend uitlaten over een groep mensen op grond van hun ras;

  • het aanzetten tot haat tegen of discriminatie van of gewelddadig optreden
    tegen mensen vanwege hun ras;.

  • het openbaar maken van uitlatingen waarvan men weet of kan vermoeden dat ze
    voor een groep mensen vanwege hun ras beledigend zijn, danwel aanzetten tot haat
    of discriminatie..
Het strafrecht is een relatief zwaar middel, andere procedures zijn vaak geschikter om discriminatie tegen te gaan. Niettemin biedt het strafrecht houvast bij het stellen van normen in de dagelijkse omgang, bijvoorbeeld op school.

Bij de selectie van personeel en toelating en deelname van leerlingen is er sprake van een spanningsveld tussen de vrijheid van onderwijs zoals vastgelegd in Artikel 23 van de Grondwet en het recht om gevrijwaard te blijven van discriminatie. Het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs is hierbij van belang, omdat het bijzonder onderwijs onder omstandigheden meer vrijheid heeft om eisen te stellen.

In het algemeen geldt er een verbod op het maken van direct onderscheid op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook. Scholen mogen dus bij de selectie van personeel en toelating en deelname van leerlingen iemand niet weigeren of op een wachtlijst plaatsen op grond van één van de bovengenoemde kenmerken.

In het bijzonder onderwijs is hierop een uitzondering mogelijk. Scholen mogen bij de selectie van personeel onder bepaalde omstandigheden eisen stellen, die van belang zijn voor de verwezenlijking van de religieuze grondslag van de onderwijsinstelling. Dit betekent dus dat zij in bepaalde gevallen onderscheid mogen maken op grond van godsdienst. Voorwaarde hierbij is dat de religieuze grondslag van de school kan worden vastgesteld op grond van de statuten en daarnaast ook beleefd en uitgedragen wordt. Ook moet op basis van concrete omstandigheden aannemelijk gemaakt worden dat de functie-eisen nodig zijn voor de verwezenlijking van de
grondslag.Daarnaast moeten de functie-eisen consequent toegepast worden in vergelijkbare functies (consistentievereiste).
Tenslotte is er de randvoorwaarde dat de gestelde eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van de genoemde discriminatiegronden.


Toelating en deelname leerlingen
Ook voor leerlingen geldt dat het bijzonder onderwijs onder bepaalde omstandigheden eisen mag stellen bij toelating en deelname. Ook hier geldt dat aangetoond moet worden dat dit van belang is voor de verwezenlijking van de religieuze grondslag van de instelling. Hierbij mogen scholen leerlingen alleen weigeren als er op een redelijke afstand van de leerling gelijksoortig openbaar onderwijs is. Daarnaast gelden de onder ‘Selectie van personeel’ genoemde voorwaarden.


Kledingvoorschriften
Scholen mogen regels stellen ten aanzien van kleding, mits deze niet discriminerend zijn. In het algemeen mag een hoofddoek niet verboden worden omdat dit in strijd is met de vrijheid van godsdienst. Ook hier geldt echter dat onder bepaalde voorwaarden het bijzonder onderwijs kledingeisen mag stellen die van belang zijn voor de verwezenlijking van de religieuze grondslag van de instelling; kleding die geassocieerd kan worden met een andere levensovertuiging kan dan verboden worden. Ook hier zijn er echter de hierboven genoemde voorwaarden vereist. Een school die leerlingen met een andere levensovertuiging eenmaal toegelaten heeft kan uitingen van andere levensovertuigingen vervolgens niet verbieden.

Ook een verbod op gezichtsbedekkende kleding leidt tot indirect onderscheid. De Commissie Gelijke Behandeling heeft echter geoordeeld dat er voor een dergelijk verbod wel een rechtvaardiging te vinden is in argumenten die samenhangen met het pedagogisch beleid van de school en het vaststellen van de identiteit.

Sommige scholen hanteren ook kledingvoorschriften ten aanzien van kledingstukken die kunnen worden geassocieerd met extreem-rechts, zoals bv. bepaalde kledingmerken, bomberjacks of legerkisten met witte veters. Omdat deze kledingstukken niet als symbool voor een levens- of politieke overtuiging door de wet worden beschermd kunnen scholen het dragen van deze kledingstukken verbieden via het schoolreglement. Het is hierbij uiteraard wel noodzakelijk om dit via de gebruikelijke wegen te doen, waarbij door de inspraakorganen wordt nagegaan of de maatregel nodig en zinvol is. Ook moet de maatregel voor alle leerlingen gelijkelijk gelden.


Tegengaan van segregatie in het onderwijs
Het toelatingsbeleid van scholen komt regelmatig ter sprake bij beleid gericht op het tegengaan van segregatie. Zo zijn er beleidsvoorstellen waarin gesproken wordt van aparte wachtlijsten, quota of spreidingsbeleid om de verdeling van allochtone en autochtone leerlingen over de verschillende scholen te beïnvloeden.Voorstellen waarin direct onderscheid gemaakt wordt tussen allochtone en autochtone leerlingen zijn in strijd met de Algemene Wet Gelijke Behandeling en de vrijheid van onderwijs. Ouders hebben de vrijheid om hun kind te laten plaatsen op de school van hun keuze.

Een alternatief wordt gezocht in het spreiden van leerlingen met een achterstand. Omdat deze achterstand vaak vastgesteld wordt op basis van de schoolopleiding van (één van) de ouders of de afkomst van de ouders en omdat allochtone leerlingen relatief vaker een (taal)achterstand hebben is er hier sprake van indirect onderscheid. Hiervoor is er geen objectieve rechtvaardiging te vinden zo lang er ook nog andere middelen zijn om de segregatie tegen te gaan en de integratie te bevorderen.

1 opmerking:

FritZ zei

Wat is het doel van een streng orthdoxe christen om op een islamitsiche school te willen of omgekeerd?

FritZ is van huize uit niet khatoliek, niet gedoopt of niet verbonden aan een religie. FritZ heeft echter zonder problemen het grootste gedeelte van zijn onderwijstijd doorgebracht op een RK school.

In het redelijke kan iedereen zich inschrijven bij de bijzonder school die bij hen past.

Kortom: volgens mij is de stelling niet van toepassing omdat dit soort gevallen alleen theretischegevallen zijn.